ECLI:NL:CRVB:2016:4161
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bezwaarschrift tegen terugvordering bijstand niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken dringende redenen
Appellante ontving sinds december 2010 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Het college van burgemeester en wethouders van Westland trok deze bijstand met terugwerkende kracht in en vorderde de kosten van bijstand terug over de periode van december 2010 tot februari 2011.
Appellante maakte bezwaar tegen zowel het intrekkings- als het terugvorderingsbesluit, maar het college verklaarde het bezwaar tegen het terugvorderingsbesluit niet-ontvankelijk. De rechtbank vernietigde dit besluit en beval een nieuwe beoordeling van het bezwaar tegen de terugvordering. Na een hoorzitting verklaarde het college het bezwaar ongegrond, omdat het bezwaar volgens het college alleen tegen de terugvordering was gericht en er geen dringende redenen waren om van terugvordering af te zien.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het bezwaar terecht alleen tegen het terugvorderingsbesluit is gericht, omdat uit de brieven van appellante blijkt dat zij zich richt op terugbetaling en invordering. Haar bezwaren tegen het intrekkingsbesluit zijn niet ontvankelijk omdat zij dit niet duidelijk heeft gemaakt en geen rechtsmiddel daartegen heeft aangewend.
Verder stelt de Raad dat dringende redenen om van terugvordering af te zien alleen kunnen bestaan bij onaanvaardbare sociale of financiële gevolgen, wat hier niet is aangetoond. De bescherming van de beslagvrije voet is hierbij relevant. De Raad bevestigt daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het bezwaar tegen de terugvordering wordt afgewezen wegens het ontbreken van dringende redenen.