ECLI:NL:CRVB:2016:4173
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beslissing beëindiging Ziektewet-uitkering wegens geschiktheid voor passende functies
Appellante was werkzaam in de thuiszorg en schoonmaak en meldde zich in januari 2011 ziek. Het UWV stelde in december 2012 vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en geschikt voor functies als magazijnmedewerker en inpakker. Na toegenomen schouderklachten in februari 2014 ontving zij een WW-uitkering. Een verzekeringsarts verklaarde haar per juni 2014 geschikt voor de bij de WIA-beoordeling geduide functies, waarna het UWV het ziekengeld beëindigde.
Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, stellende dat haar schouderklachten haar belemmeren bij lichte lichamelijke taken en activiteiten onder schouderhoogte, en dat de functionele mogelijkhedenlijst (FML) niet meer passend zou zijn. De rechtbank wees haar beroep af, en ook in hoger beroep oordeelt de Centrale Raad van Beroep dat er geen aanleiding is om aan het oordeel van de verzekeringsarts te twijfelen.
De Raad baseert zich op medische rapporten, waaronder een rapport van augustus 2014 en een aanvullend rapport van juni 2016, waarin wordt vastgesteld dat de beperkingen aan de linkerschouder zijn meegenomen en dat er geen significante beperkingen zijn aan de rechterschouder. De Raad concludeert dat appellante geschikt is voor de functies die zij kan vervullen en bevestigt het bestreden besluit. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het besluit dat appellante geen recht meer heeft op ziekengeld omdat zij geschikt is voor passende functies.