Uitspraak
.
Centrale Raad van Beroep
Appellante, voormalig verkoopster bij HEMA, meldde zich ziek wegens borstkanker en kreeg een arbeidsongeschiktheidspercentage vastgesteld op 39,95% per 3 oktober 2012. Later werd een WGA-vervolguitkering toegekend met een arbeidsongeschiktheid van 35 tot 80%. Appellante voerde bezwaar aan tegen de vastgestelde beperkingen en de geschiktheid van de voor haar geselecteerde functies.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat de medische situatie en beperkingen correct waren vastgesteld, inclusief een forse urenbeperking tot 20 uur per week. Psychische klachten werden erkend maar boden geen aanleiding tot aanvullende beperkingen. Het door appellante overgelegde latere psychiatrisch verslag bood geen nieuw inzicht voor de datum in geschil.
In hoger beroep stelde appellante dat onvoldoende rekening was gehouden met haar lichamelijke en psychische klachten en dat de geselecteerde functies ongeschikt waren. De Raad oordeelde dat de beperkingen juist waren weergegeven in de Functionele Mogelijkhedenlijst en dat de arbeidsdeskundige voldoende had gemotiveerd dat de belasting van de functies de belastbaarheid niet overschrijdt.
Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellante wordt verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.