ECLI:NL:CRVB:2016:4219
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen recht op kinderbijslag met terugwerkende kracht wegens ontbreken bijzonder geval en onvoldoende onderhoudsbijdrage
Appellante, afkomstig uit Bulgarije en sinds 2010 in Nederland, vroeg kinderbijslag aan voor haar twee kinderen per 1 mei 2013. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) kende de uitkering toe vanaf het tweede kwartaal van 2013, waarna appellante bezwaar maakte vanwege het ontbreken van terugwerkende kracht.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat appellante geen bijzonder geval had aangetoond dat een langere terugwerkende kracht rechtvaardigt en dat zij onvoldoende had bewezen de kinderen vanaf het tweede kwartaal 2012 te hebben onderhouden. Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar kinderen al eind 2011 in Nederland waren en dat zij hen in belangrijke mate had onderhouden.
De Raad oordeelde dat appellante niet aannemelijk had gemaakt dat zij niet tijdig een aanvraag kon indienen of dat zij onbekend was met haar recht op kinderbijslag op een verschoonbare wijze. Ook bleek uit eerdere verklaringen dat de kinderen tot 2013 bij haar moeder in Bulgarije verbleven. Verder was onvoldoende bewijs geleverd van onderhoudsbijdrage. Daarom werd het hoger beroep verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aanvraag kinderbijslag wordt niet met terugwerkende kracht toegekend.