Uitspraak
1 maart 2016, 15/6122 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Centrale Raad van Beroep
Appellante ontving bijstand sinds november 2012 en kreeg vanaf februari 2014 een toeslag op grond van de Toeslagenwet toegekend. Het college stelde vast dat de toeslag niet was verrekend met de bijstand en herzag daarom de bijstandsuitkering over de periode april 2014 tot januari 2015, waarbij te veel ontvangen bijstand werd teruggevorderd.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de melding van het UWV over de toeslag geen signaal vormde dat het college binnen zes maanden tot actie moest overgaan. Volgens vaste jurisprudentie geldt namelijk een termijn van zes maanden om terug te vorderen na een dergelijk signaal, maar appellante had het college zelf moeten informeren over de toeslag.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat het college ten onrechte geen toepassing gaf aan de zesmaandenjurisprudentie. De Raad oordeelde dat dit een herhaling was van eerdere gronden en dat de rechtbank gemotiveerd had geoordeeld dat de melding van het UWV niet als signaal geldt. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en wees het verzoek tot schadevergoeding af.
Uitkomst: De terugvordering van bijstand wordt bevestigd en het beroep van appellante wordt afgewezen.