ECLI:NL:CRVB:2009:BI2112
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid College tot terugvordering bijstandsuitkering en toepassing zesmaanden-jurisprudentie
Appellante ontving algemene bijstand als alleenstaande ouder vanaf 1999 ter aanvulling op haar inkomsten uit werk. Het College herzag in 2004 de bijstand over 2000-2002 en vorderde een bedrag terug op basis van ontvangen looninformatie. Na bezwaar stelde het College het terug te vorderen bedrag bij in 2005. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond.
In hoger beroep staat alleen de vraag centraal in hoeverre het College bevoegd was tot terugvordering, waarbij appellante een beroep deed op de zesmaanden-jurisprudentie. De Raad constateert dat het College geen beleidsregels heeft ontwikkeld voor terugvordering bij niet of niet juist verwerkte gegevens, maar dat de beleidsregels omtrent tijdige terugvordering in acht zijn genomen.
De Raad oordeelt echter dat de mededeling van appellante over haar wisselend netto-inkomen en de maandelijks ingezonden inkomstenverklaringen een duidelijk signaal vormden dat het vaste bedrag aan te korten inkomsten onjuist was vastgesteld. Het College had binnen zes maanden daarop moeten reageren met een herberekening, wat niet is gebeurd. Hierdoor is het besluit tot terugvordering onzorgvuldig en wordt het vernietigd. Het College wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.
Vergoeding van wettelijke rente wordt niet toegewezen omdat nadere besluitvorming nodig is. De proceskostenveroordeling blijft in stand.
Uitkomst: Het besluit tot terugvordering van bijstand wordt vernietigd en het College wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen.