Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2016:4242

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
28 oktober 2016
Publicatiedatum
8 november 2016
Zaaknummer
14/445 AOW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proceskostenveroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75a AwbArt. 8:108 AwbArt. 13 RijnvarendenverdragArt. 11 Rijnvarendenverdrag
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking hoger beroep en afwijzing verzoek proceskostenveroordeling in AOW-zaak

In deze zaak heeft appellant hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant inzake een geschil over de AOW en premieheffing sociale verzekeringen. Tijdens de procedure is het hoger beroep ingetrokken en heeft appellant verzocht om een proceskostenveroordeling.

De Centrale Raad van Beroep heeft overwogen dat op grond van artikel 8:75a Awb alleen proceskosten kunnen worden toegewezen indien het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk tegemoet is gekomen aan de indiener van het beroepschrift. In deze zaak was dat niet het geval, omdat de aangevallen uitspraak terecht was en zou zijn bevestigd indien het hoger beroep niet was ingetrokken.

De Raad heeft ook aandacht besteed aan de bevoegdheid van de Sociale verzekeringsbank om overlegprocedures te starten op grond van het Rijnvarendenverdrag en de vaste praktijk om dergelijke verzoeken af te wijzen zolang fiscale procedures lopen. Gezien het ontbreken van bijzondere omstandigheden is het verzoek om proceskostenveroordeling afgewezen. Appellant kan het betaalde griffierecht rechtstreeks bij de Svb terugvorderen.

Uitkomst: Verzoek om proceskostenveroordeling wordt afgewezen na intrekking van het hoger beroep.

Uitspraak

14/445 AOW
Datum uitspraak: 28 oktober 2016
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 6 december 2013, 13/955 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (minister)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. M.J. van Dam, advocaat, hoger beroep ingesteld.
De Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb) heeft een verweerschrift ingediend.
Op 24 april 2015 heeft onderzoek ter zitting plaatsgevonden. Daarbij is voor appellant
mr. Van Dam verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door H. van der Most en mr. A.P. van den Berg.
Na de zitting van 24 april 2015 is het onderzoek in de onderhavige zaak, en in een aantal soortgelijke zaken, heropend. Hiervan is partijen mededeling gedaan bij brief van 7 mei 2015. Aan de Svb is daarbij, onder verwijzing naar het Besluit Internationale taken Sociale Verzekeringsbank van 4 oktober 1995 (Stcrt. 1995, nr. 197) en de in de Algemene wet bestuursrecht (Awb) opgenomen regels over mandaat, een aantal vragen gesteld over de bevoegdheid van de Svb om op grond van artikel 13 van Pro het Verdrag betreffende de sociale zekerheid van rijnvarenden (Rijnvarendenverdrag) voor Nederland een overlegprocedure te starten die uit kan monden in uitzonderingen op de in artikel 11 van Pro het Rijnvarendenverdrag opgenomen bepalingen inzake de toe te passen wetgeving. Op die vragen heeft de Svb bij brief van 4 september 2015 gereageerd. Bij brief van 5 februari 2016 heeft de minister alle in dit geding (nog) relevante beslissingen van de Svb over de toepassing van artikel 13 van Pro het Rijnvarendenverdrag voor zover nodig bekrachtigd en de Svb gemachtigd hem ter zake in rechte te vertegenwoordigen.
Vervolgens is het onderzoek ter zitting op 17 juni 2016 hervat. Appellant is daar verschenen bij mr. Van Dam. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door de Svb, verschenen bij R.W. Nicolaas en mr. Van den Berg. Het onderzoek ter zitting op 17 juni 2016 is geschorst.
Bij brief van 5 september 2016, als aangevuld bij brief van 21 september 2016, heeft mr. Van Dam het hoger beroep namens appellant ingetrokken en de Raad gelijktijdig verzocht om een proceskostenveroordeling uit te spreken.
Namens de minister is verweer gevoerd tegen het namens appellant ingediende verzoek om een proceskostenveroordeling uit te spreken.
Met toestemming van partijen is nader onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Ingevolge artikel 13 van Pro het Rijnvarendenverdrag kunnen de bevoegde autoriteiten van de betrokken Staten – al dan niet op verzoek – een overlegprocedure starten die erin kan uitmonden dat de aanwijsregels van artikel 11 van Pro het Rijnvarendenverdrag in bepaalde gevallen niet worden toegepast. Het gaat hierbij om een discretionaire bevoegdheid waarin de bevoegdheid om afwijzend te beslissen op zo’n verzoek besloten moet worden geacht.
In de huidige vaste praktijk wordt in beginsel afwijzend beslist op verzoeken om op grond van artikel 13 van Pro het Rijnvarendenverdrag een overlegprocedure te starten, indien er in de fiscale kolom nog een procedure loopt over de toe te passen wetgeving. De Raad acht deze werkwijze geenszins onredelijk. De Raad verwijst in dit verband naar wat hij heeft overwogen in zijn uitspraken van 9 september 2016 in de zaken 14/298 AOW (ECLI:NL:CRVB:2016:3578) en 15/1821 AOW (ECLI:NL:CRVB:2016:3556). In dit geding hebben ten tijde van belang in de fiscale kolom procedures gelopen over de toe te passen wetgeving. Nu verder niet is gebleken van omstandigheden om in voor appellant begunstigende zin af te wijken van genoemde vaste praktijk, is bij besluit op bezwaar van
19 maart 2013 op niet onaanvaardbare gronden afwijzend beslist op het verzoek van appellant van 11 januari 2010 om – vooruitlopend op een finaal oordeel over zijn vermeende recht op vrijstelling van premieheffing voor de volksverzekeringen in de fiscale kolom – al dan niet na toepassing van artikel 13 van Pro het Rijnvarendenverdrag, te bevestigen dat appellant geen premies volksverzekeringen verschuldigd is over de periodes tot en met 31 januari 2010 waarin hij in Luxemburg verzekerd is geweest voor de sociale zekerheidswetgeving. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep tegen het besluit op bezwaar van 19 maart 2013 terecht ongegrond verklaard. Aan het voorgaande doet niet af dat hangende hoger beroep een nieuw besluit genomen is waarbij is ingestemd met een zogenoemde regularisatie over het tijdvak van 1 februari 2006 tot en met 31 januari 2010. Hangende hoger beroep zijn genoemde procedures in de fiscale kolom namelijk beëindigd.
Gelet op het voorgaande zou de aangevallen uitspraak zijn bevestigd voor zover aangevochten, indien het hoger beroep van appellant niet was ingetrokken. De Raad is van oordeel dat in het onderhavige geval geen sprake is van een tegemoetkoming in de zin van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb, zodat afwijzend moet worden beslist op het verzoek van appellant om een proceskostenveroordeling uit te spreken.
Voor vergoeding van het in hoger beroep betaalde griffierecht kan appellant zich rechtstreeks tot de Svb wenden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek van appellant om een proceskostenveroordeling uit te spreken af.
Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 oktober 2016.
(getekend) T.L. de Vries
(getekend) M.D.F. de Moor

IJ