ECLI:NL:CRVB:2016:4243
Centrale Raad van Beroep
- Proceskostenveroordeling
- Rechtspraak.nl
Intrekking hoger beroep en afwijzing verzoek proceskostenveroordeling in AOW-zaak
In deze zaak heeft appellant hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland inzake AOW-premieheffing. Tijdens de procedure is het hoger beroep door appellant ingetrokken en is tegelijkertijd verzocht om een proceskostenveroordeling tegen de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
De Centrale Raad van Beroep heeft overwogen dat intrekking van het beroep alleen kan leiden tot een proceskostenveroordeling indien het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroep is tegemoetgekomen. In deze zaak was dat niet het geval. Hoewel tijdens het hoger beroep een nieuw besluit is genomen waarbij een regularisatie is ingestemd, vond dit plaats nadat het beroep was ingesteld en was er geen sprake van een tegemoetkoming in de zin van artikel 8:75a Awb.
Verder heeft de Raad de vaste praktijk bevestigd dat verzoeken om overlegprocedures op grond van artikel 13 van Pro het Rijnvarendenverdrag in beginsel worden afgewezen zolang er fiscale procedures lopen over de toe te passen wetgeving. De Raad concludeert dat de aangevallen uitspraak terecht ongegrond is verklaard en dat het verzoek om proceskostenveroordeling moet worden afgewezen.
Appellant wordt verwezen naar de Sociale Verzekeringsbank voor vergoeding van het betaalde griffierecht. De uitspraak is gedaan door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 28 oktober 2016.
Uitkomst: Het verzoek om proceskostenveroordeling wordt afgewezen omdat geen tegemoetkoming in de zin van artikel 8:75a Awb is vastgesteld.