ECLI:NL:CRVB:2016:4259
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing aanvraag bijstand wegens niet aantoonbaar hoofdverblijf op opgegeven adres
Appellant ontving sinds mei 2012 aanvullende bijstand, maar deze werd ingetrokken per 1 januari 2014 vanwege een te hoog gezinsinkomen. Na een verzoek om scheiding van tafel en bed diende appellant een nieuwe aanvraag in voor bijstand als alleenstaande, waarbij hij verklaarde te verblijven bij zijn dochter op een opgegeven adres.
Het dagelijks bestuur voerde een huisbezoek uit waarbij bleek dat appellant niet thuis was bij aankomst, en dat er in de woning vrijwel geen persoonlijke bezittingen of levensmiddelen van appellant aanwezig waren. Appellant gaf aan dat hij op dat moment vrijwilligerswerk deed en verklaarde dat zijn kleding elders werd gewassen en hij elders kosteloos at.
Het dagelijks bestuur wees de aanvraag af wegens het niet aantoonbaar zijn van het hoofdverblijf op het opgegeven adres en het niet voldoen aan de inlichtingenverplichting. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit in hoger beroep, oordelend dat de bevindingen van het huisbezoek een toereikende grondslag vormen voor het besluit en appellant tekort is geschoten in zijn inlichtingenplicht.
Uitkomst: De aanvraag om bijstand wordt afgewezen omdat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij zijn hoofdverblijf had op het opgegeven adres.