ECLI:NL:CRVB:2016:4263

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
9 november 2016
Publicatiedatum
9 november 2016
Zaaknummer
13/1409 WW-S
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Schadevergoedingsuitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75a AwbArt. 8:88 AwbArt. 8:108 AwbArt. 7:15 AwbArt. 6 EVRM
Verwijzingen
10 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking hoger beroep met proceskostenveroordeling en schadevergoeding wegens termijnoverschrijding

Appellant had hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Oost-Nederland, maar trok dit hoger beroep in nadat het UWV met een gewijzigde beslissing op bezwaar geheel aan zijn bezwaren tegemoet was gekomen.

De Raad veroordeelde het UWV tot vergoeding van de proceskosten die appellant redelijkerwijs had moeten maken in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep, begroot op in totaal € 2.728,-. Een vergoeding van kosten gemaakt in bezwaar werd afgewezen omdat appellant niet tijdig een verzoek daartoe had ingediend.

Daarnaast oordeelde de Raad dat de totale duur van de bezwaar- en beroepsprocedure de redelijke termijn volgens het EVRM met elf maanden had overschreden. Daarom werd de Staat veroordeeld tot betaling van een immateriële schadevergoeding van € 1.000,- aan appellant. Het verzoek om vergoeding van griffierecht moest appellant rechtstreeks bij het UWV indienen.

Het onderzoek ter zitting werd achterwege gelaten met toestemming van partijen en de beslissing werd in het openbaar uitgesproken op 9 november 2016.

Uitkomst: Het UWV wordt veroordeeld tot betaling van € 2.728,- aan proceskosten en de Staat tot een schadevergoeding van € 1.000,- wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

Datum uitspraak: 9 november 2016
13/1409 WW-S
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a, 8:88 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Nederland van
6 februari 2013, 12/938 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om schadevergoeding
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
de Staat der Nederlanden
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. C.C. Neering hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft op 31 maart 2016 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen.
Bij brief van 7 juni 2016 heeft mr. M. Koolhoven namens appellant het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten en schade ten gevolge van het overschrijden van de redelijke termijn.
Het Uwv heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid een verweerschrift in te dienen.
Met toestemming van partijen is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

1. Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
2. Namens appellant is het hoger beroep ingetrokken nadat het Uwv met de gewijzigde beslissing op bezwaar van 31 maart 2016 geheel aan de bezwaren van appellant is tegemoetgekomen.
3.1.
De Raad ziet aanleiding het Uwv te veroordelen in de kosten die appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 992,- in beroep en € 1.736,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.
3.2.
Voor een vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten bestaat geen grond omdat niet gebleken is dat appellant tijdig een daartoe strekkend verzoek heeft gedaan, zoals bepaald in artikel 7:15, derde lid, van de Awb.
4.1.
Voor de wijze van beoordeling van het verzoek van appellant om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, wordt verwezen naar de uitspraak van de Raad van 26 januari 2009 (ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009). De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd. De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. Van dergelijke omstandigheden is in het voorliggende geval niet gebleken.
4.2.
De redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM vangt aan op het moment dat er - op zijn minst - een standpunt van het bestuursorgaan ligt, waarvan duidelijk is dat de betrokkene dit wil aanvechten (CRvB 4 november 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AU5643). Doorgaans is dit op het moment waarop een bezwaarschrift wordt ingediend tegen het primaire besluit of het uitblijven daarvan. In beginsel is een vergoeding gepast van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn is overschreden (CRvB 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009).
4.3.
Voor dit geval betekent dit het volgende. Vanaf de ontvangst door het Uwv op
15 december 2011 van het bezwaarschrift van appellant tot de datum van deze uitspraak zijn vier jaar en bijna elf maanden verstreken. Van dit tijdsverloop heeft de behandeling van het bezwaar door het Uwv drie en een halve maand geduurd. Vanaf de ontvangst door de rechtbank op 10 mei 2012 van het beroepschrift van appellant heeft de behandeling van het beroep door de rechtbank negen maanden geduurd. De behandeling van het hoger beroep heeft vanaf de ontvangst door de Raad op 20 maart 2013 van het hogerberoepschrift van appellant tot de datum van deze uitspraak drie jaar en bijna acht maanden geduurd. Nu de totale behandelingsduur vier jaar mocht bedragen, is deze thans met elf maanden overschreden. In de omstandigheden van het geval is geen aanleiding om deze overschrijding geheel of ten dele gerechtvaardigd te achten. Dit leidt tot een schadevergoeding van twee maal € 500,-, dit is € 1.000,-.
4.4.
Het onder 4.1 tot en met 4.4 overwogene leidt tot het oordeel dat de Staat dient te worden veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan betrokkene ten bedrage van € 1.000,-.
Voor vergoeding van het betaalde griffierecht kan appellant zich rechtstreeks tot het Uwv wenden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep:
- veroordeelt Uwv in de kosten van appellant tot een bedrag van € 2.728,-;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie) tot betaling aan
betrokkene van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 1.000,-.
Deze uitspraak is gedaan door B.M. van Dun, in tegenwoordigheid van N. Talhaoui als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 november 2016.
(getekend) B.M. van Dun
(getekend) N. Talhaoui

IJ