ECLI:NL:CRVB:2016:4295
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K.J. Kraan
- J.J.A. Kooijman
- B.J. van de Griend
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing vaste aanstelling wegens onvoldoende continuïteit door ziekteverzuim
Appellant was per 15 januari 2013 voor bepaalde tijd op proef aangesteld als teamsenior. Tijdens het beoordelingsgesprek in november 2013 werd zijn functioneren als goed/normaal beoordeeld, maar met twijfel over zijn rol als teamleider. De aanstelling werd met een jaar verlengd zonder afzonderlijk besluit. Appellant maakte bezwaar tegen de beoordeling en tegen het besluit van het college om geen vaste aanstelling te verlenen vanwege ziekteverzuim en onvoldoende continuïteit.
Het college herzag de beoordeling en verklaarde het bezwaar gegrond wegens onvoldoende onderbouwing, maar handhaafde het besluit geen vaste aanstelling te verlenen. De bedrijfsarts bevestigde dat appellant vanwege ziekteverzuim niet met voldoende continuïteit zijn functie kon vervullen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Raad bevestigt dit in hoger beroep.
De Raad oordeelt dat het college terecht mocht afgaan op het advies van de bedrijfsarts en dat het hoge ziekteverzuim en de beperkte continuïteit een redelijke grond vormen om geen vaste aanstelling te verlenen. De stelling van appellant dat hij ten tijde van de beoordeling recht had op een vaste aanstelling wordt verworpen, omdat de proeftijdperiode van een jaar benut moest worden om het functioneren te beoordelen.
De Raad concludeert dat het college in redelijkheid heeft gehandeld en dat appellant onvoldoende medische onderbouwing heeft geleverd voor zijn stelling dat hij zijn functie wel kon uitoefenen. Het hoger beroep wordt daarom afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het college mocht terecht geen vaste aanstelling verlenen vanwege onvoldoende continuïteit door ziekteverzuim.