Uitspraak
OVERWEGINGEN
Artikel 10. Vergoedingsregeling na het definitief verlaten van de wachtdienst
Centrale Raad van Beroep
Appellanten, werkzaam als [naam functie] bij de gemeente Groningen, ontvingen een vergoeding voor wachtdiensten. Na het bereiken van 55 jaar stopten zij met wachtdiensten en kregen zij een vergoeding op grond van artikel 10 van Pro bijlage 9 van de Arbeidsvoorwaardenregeling gemeente Groningen (ARG). Het college verlaagde deze vergoedingen per 1 juli 2014, omdat volgens het college de vergoeding voor daadwerkelijk gewerkte uren tijdens wachtdiensten niet doorbetaald hoefde te worden na het definitief verlaten van de wachtdienst.
Appellanten maakten bezwaar tegen deze verlaging, maar het college stelde een afbouwregeling in waarbij de vergoeding in de jaren daarna geleidelijk werd afgebouwd. De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond. In hoger beroep betoogden appellanten dat de vergoeding ook de overwerkvergoeding omvatte, maar de Raad concludeerde dat de regeling dit niet verplicht.
De Raad analyseerde de bepalingen van de ARG en concludeerde dat de vergoeding na het verlaten van de wachtdienst alleen de wachtdienstvergoeding omvat en niet de overwerkvergoeding. Dit volgt uit de tekst, de systematiek van de regeling en de uitleg van artikel 10, onder e, waarin een herplaatsingstoelage slechts de wachtdienstvergoeding compenseert. De Raad oordeelde dat het college bevoegd was de vergoeding te verlagen en de afbouwregeling te treffen. De hoger beroepen werden verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het college niet verplicht is overwerkvergoeding door te betalen na definitief verlaten van de wachtdienst en keurt de afbouwregeling goed.