Uitspraak
15 oktober 2014, 14/3034 (aangevallen uitspraak)
OVERWEGINGEN
30 november 2008.
Centrale Raad van Beroep
Appellante had een WIA-uitkering aangevraagd die eerder was afgewezen omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Na een val in 2012 stelde zij dat haar situatie was verslechterd met chronische klachten en psychische aandoeningen. Het UWV wees de aanvraag af en stelde dat er geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden waren die herziening rechtvaardigden.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, omdat de verslechtering na de eerdere beoordeling plaatsvond en niet tot herziening kon leiden. In hoger beroep stelde appellante dat het UWV ten onrechte geen Amber-beoordeling had uitgevoerd, die toegenomen beperkingen kan erkennen.
De Raad oordeelde dat het UWV het besluit onvoldoende had gemotiveerd door niet te beoordelen of appellante rechten ontleent aan artikel 55 van Pro de Wet WIA (Wet Amber). Echter, na nader onderzoek en het rapport van de verzekeringsarts bleek er geen sprake van toegenomen beperkingen vanuit dezelfde ziekteoorzaak.
Daarom werd het bestreden besluit, ondanks het gebrek aan motivering, in stand gelaten en de aangevallen uitspraak bevestigd met verbetering van gronden. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De afwijzing van de WIA-uitkering wordt bevestigd omdat geen sprake is van toegenomen beperkingen vanuit dezelfde ziekteoorzaak.