ECLI:NL:CRVB:2016:4355
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging niet-ontvankelijkverklaring beroep wegens ontbreken verklaring van erfrecht
Namens wijlen betrokkene is beroep ingesteld tegen het besluit van het UWV tot weigering van een WAO-uitkering. Na het overlijden van betrokkene heeft diens weduwe namens de erfgenamen een machtiging verleend om de procedure voort te zetten. De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk omdat geen verklaring van erfrecht was overgelegd en onduidelijk was wie de erfgenamen waren.
In hoger beroep stelt gemachtigde dat de rechtbank ten onrechte het onderzoek heeft gesloten zonder de verklaring van erfrecht af te wachten en dat voorafgaand aan de zitting geen waarschuwing is gegeven over de gevolgen van het ontbreken van deze verklaring. De Raad oordeelt dat de rechtbank de machtiging onvoldoende heeft meegewogen en dat het beroep tijdig en ontvankelijk is ingesteld.
Voorts is vastgesteld dat de rechtbank niet heeft voldaan aan de publicatieplicht in de Staatscourant ondanks het vermoeden van onbekende belanghebbenden. Ook ontbrak een schriftelijke waarschuwing aan appellante over de niet-ontvankelijkverklaring bij het uitblijven van de verklaring van erfrecht, wat strijdig is met de procesregels.
De Raad vernietigt daarom de uitspraak van de rechtbank en wijst de zaak terug voor hernieuwde behandeling. Het UWV wordt veroordeeld in de proceskosten van appellante. Het betaalde griffierecht wordt aan appellante terugbetaald.
Uitkomst: De niet-ontvankelijkverklaring van het beroep wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen naar de rechtbank Rotterdam.