ECLI:NL:CRVB:2016:4381
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek uitbetaling niet-opgenomen verlofuren bij einde dienstverband promovendus
Appellant was promovendus aan de Universiteit Leiden en had bij het einde van zijn dienstverband op 1 december 2013 nog niet alle verlofuren opgenomen. Hij verzocht om uitbetaling van deze uren, maar het college wees dit verzoek af omdat appellant niet was verhinderd verlof op te nemen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak.
De Raad overwoog dat uit de CAO Nederlandse Universiteiten volgt dat verlof in het jaar van opbouw moet worden opgenomen en dat uitbetaling alleen mogelijk is indien de werknemer niet in de gelegenheid is gesteld verlof op te nemen. Appellant stelde dat hij door de noodzaak zijn proefschrift af te ronden niet in de gelegenheid was geweest verlof op te nemen, maar dit werd niet aannemelijk gemaakt. Er was geen bewijs van geweigerde verlofaanvragen.
Ook werd geoordeeld dat het college haar zorgplicht niet had geschonden door appellant niet expliciet te wijzen op het opnemen van verlofuren. Appellant was zich bewust van zijn verlofrechten en het naderende einde van het dienstverband. De omstandigheden verschilden van eerdere jurisprudentie waarin sprake was van onmogelijkheid tot verlofopname. Het hoger beroep werd daarom verworpen.
Uitkomst: Het verzoek tot uitbetaling van niet-opgenomen verlofuren wordt afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.