ECLI:NL:CRVB:2016:4477
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag bijstand zelfstandigen wegens niet levensvatbaar taxibedrijf
Appellant, een taxichauffeur met een eigen taxibedrijf sinds 2007, vroeg meerdere malen bijstand aan op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004). Na eerdere afwijzingen en een eerdere uitspraak die deze bevestigde, diende appellant in 2014 opnieuw een aanvraag in. Het college van burgemeester en wethouders van Utrecht vroeg advies aan Friedeberg Consultancy BV (FCBV), die concludeerde dat het taxibedrijf niet levensvatbaar was vanwege onvoldoende ondernemerscapaciteiten, een matige marktsituatie en een zwakke concurrentiepositie.
Het college wees de aanvraag af en handhaafde dit besluit na bezwaar. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. In hoger beroep betoogde appellant dat FCBV ten onrechte zijn ondernemerscapaciteiten als onvoldoende had beoordeeld, mede omdat in 2007 deze capaciteiten wel voldoende werden geacht en er geen reden was voor verandering.
De Raad oordeelde dat het college in principe mocht uitgaan van het advies van FCBV, tenzij concrete aanwijzingen voor onzorgvuldigheid bestonden. De Raad stelde vast dat de beoordeling niet alleen op ondernemerscapaciteiten rustte, maar ook op bedrijfsformule, marktsituatie en concurrentiepositie, die niet waren bestreden. De aanvankelijke fout in het vermelden van de opleiding van appellant maakte het rapport niet onbetrouwbaar. Het hoger beroep werd verworpen en de afwijzing van de bijstand bevestigd.
Uitkomst: De aanvraag om bijstand wordt afgewezen wegens onvoldoende levensvatbaarheid van het taxibedrijf.