Uitspraak
14 december 2015, 15/2956 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant, werkzaam als opperwachtmeester bij de Koninklijke Marechaussee, solliciteerde naar een nieuwe functie in de rang van eerste luitenant binnen de [Dienst]. Na een gesprek met de opleidingsadviescommissie (OAC) kreeg appellant een negatief advies vanwege onvoldoende eigenschappen en vaardigheden voor de officiersopleiding, niet vanwege het ontbreken van een Hbo-opleiding.
De minister besloot op basis van het negatieve advies van de Advies Commissie Functietoewijzing (ACF) appellant niet voor te dragen voor de functie. Appellant stelde dat de aanwezigheid van een majoor als toehoorder bij de OAC onzorgvuldig was en dat hij ten onrechte werd afgewezen vanwege de opleidingseis. Deze bezwaren werden door de Raad verworpen.
De Raad concludeerde dat de minister zijn discretionaire bevoegdheid redelijk had uitgeoefend en dat het OAC-advies voldoende inzichtelijk was. Ook het argument dat de functie ten onrechte aan adjudant-onderofficieren als uitloopfunctie was aangeboden, was niet relevant omdat appellant niet de juiste rang had.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van appellant voor de geambieerde functie bevestigd.