ECLI:NL:CRVB:2016:4521
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verlaging bijstand wegens weigering meewerken proefplaatsing
Appellant ontvangt sinds oktober 2013 bijstand op grond van de WWB en is verplicht mee te werken aan arbeidsinschakelingsvoorzieningen. Hij weigerde op 28 oktober 2014 mee te werken aan een proefplaatsing van zes weken, omdat hij geen werkzaamheden wilde verrichten onder het wettelijk minimumloon en geen garantie op een vaste baan kreeg.
Het college legde daarom een maatregel op door de bijstand per 1 december 2014 met 100% te verlagen voor de duur van een maand. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep betoogde appellant dat de maatregel onevenredig was en dat er dringende redenen waren om af te zien van de verlaging, vanwege zijn problematische financiële situatie en de zorg voor twee minderjarige kinderen.
De Raad oordeelde dat de weigering een overtreding van de arbeidsverplichtingen is en dat het college terecht de bijstand verlaagde conform de gemeentelijke maatregelverordening. De financiële situatie van appellant vormt geen dringende reden om van de maatregel af te zien. Het hoger beroep faalt en de aangevallen uitspraak wordt bevestigd.
Uitkomst: De verlaging van de bijstand met 100% voor één maand wegens weigering mee te werken aan proefplaatsing wordt bevestigd.