ECLI:NL:CRVB:2016:4563
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging inhouding eigen bijdrage AWBZ op Wajong-uitkering zonder bijzondere omstandigheden
Appellant ontvangt sinds 2007 een Wajong-uitkering en is in 2012 verhuisd naar een AWBZ-zorginstelling. Het CAK verzocht in 2013 het UWV om de eigen bijdrage AWBZ in te houden op de uitkering, wat het UWV heeft gedaan. Appellant maakte bezwaar tegen deze inhouding, stellende dat er een betalingsregeling met het CAK was en dat het UWV hem tijdig had moeten informeren over het inhoudingsverzoek.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat het UWV niet verplicht is de juistheid van de eigen bijdrage te toetsen en dat het UWV correct uitvoering gaf aan de wettelijke bepalingen. In hoger beroep bevestigt de Raad deze uitspraak en overweegt dat het bestuursorgaan in beginsel aan een verzoek tot inhouding kan voldoen tenzij bijzondere omstandigheden zich daartegen verzetten, welke hier niet zijn aangetoond.
De Raad merkt op dat fouten in de communicatie tussen appellant en het CAK buiten de reikwijdte van dit geding vallen en dat het CAK bevoegd is tot inning van de bijdrage. Het hoger beroep wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de inhouding van de eigen bijdrage AWBZ op de Wajong-uitkering bevestigd.