Appellant maakte bezwaar tegen besluiten van het CAK waarin algemene tegemoetkomingen voor de jaren 2011 en 2012 waren toegekend. Deze bezwaren werden door het CAK niet-ontvankelijk verklaard omdat zij niet binnen de wettelijke termijn van zes weken waren ingediend. De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij tijdig bezwaar had gemaakt en dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar was.
In hoger beroep voerde appellant aan dat de feiten onjuist waren weergegeven, dat hij wel tijdig bezwaar had gemaakt en dat hij niet correct was gehoord. De Raad stelde vast dat de besluiten van het CAK op de juiste wijze bekend waren gemaakt en dat het bezwaarschrift van appellant ruim na de termijn was ontvangen. Appellant kon zijn stellingen over eerdere bezwaarschriften niet onderbouwen met bewijs.
Verder bleek uit het proces dat appellant geen gebruik wilde maken van een nieuwe hoorzitting en niet was verschenen op de uitnodiging. De Raad concludeerde dat appellant terecht niet-ontvankelijk was verklaard en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.