Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2016:4578

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
30 november 2016
Publicatiedatum
30 november 2016
Zaaknummer
16/35 AWBZ
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.6.12 Regeling subsidies AWBZ
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking persoonsgebonden budget wegens niet-naleving verantwoordingsplicht

Appellante was geïndiceerd voor persoonlijke verzorging en ontving voor 2013 en 2014 persoonsgebonden budgetten (pgb). Het Zorgkantoor verleende deze pgb’s onder de verplichting tot verantwoording van de besteding.

Ondanks herhaalde verzoeken heeft appellante niet de volledige administratie en benodigde declaraties overgelegd. Het Zorgkantoor trok daarom de pgb’s in op grond van artikel 2.6.12 van de Regeling subsidies AWBZ.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond omdat zij onvoldoende bewijs leverde dat zij aan haar verantwoordingsplicht had voldaan. In hoger beroep bevestigde de Raad dit oordeel, waarbij werd meegewogen dat appellante geen aanvullende stukken had ingediend die haar stelling konden ondersteunen.

De Raad concludeerde dat het hoger beroep niet slaagt en bevestigde de intrekking van de pgb’s. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De intrekking van het persoonsgebonden budget wegens niet-naleving van de verantwoordingsplicht wordt bevestigd.

Uitspraak

16/35 AWBZ
Datum uitspraak: 30 november 2016
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van
18 december 2015, 15/5358 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
CZ Zorgkantoor (Zorgkantoor)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. S. Salhi, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Zorgkantoor heeft een verweerschrift en een nader stuk ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 oktober 2016. Partijen zijn, met bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellante is door het Centrum Indicatiestelling Zorg geïndiceerd voor Persoonlijke verzorging Klasse 2 (2 tot 3.9 uur per week) voor de periode 2 februari 2010 tot en met
1 februari 2015 in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb).
1.2.
Het Zorgkantoor heeft aan appellante in besluiten van 24 april 2013 en 18 december 2013 voor de jaren 2013 en 2014 pgb’s verleend van achtereenvolgens € 4.449,87 (netto
€ 4.300,85) en € 4.226,- (netto € 3.988,44). Het Zorgkantoor heeft appellante in deze besluiten gewezen op de verplichtingen die aan de verlening van het pgb zijn verbonden, waaronder de verplichting om verantwoording af te leggen over de besteding van het pgb.
1.3.
Het Zorgkantoor heeft appellante diverse keren verzocht verantwoording af te leggen over de besteding van de pgb’s.
1.4.
Bij besluiten van 9 september 2014 heeft het Zorgkantoor met toepassing van artikel 2.6.12 van de Regeling subsidies AWBZ (Rsa) de verleningsbesluiten van de pgb’s 2013 en 2014 ingetrokken omdat appellante niet heeft voldaan aan haar verantwoordingsverplichtingen.
1.5.
Bij besluit van 9 juli 2015 (bestreden besluit) heeft het Zorgkantoor de bezwaren tegen de besluiten van 9 september 2014 ongegrond verklaard. Daaraan heeft het Zorgkantoor ten grondslag gelegd dat appellante heeft nagelaten de volledige administratie van de aan haar toegekende pgb’s over 2013 en 2014 in te sturen. Het Zorgkantoor heeft per mail slechts een leeg document ontvangen. Op het door appellante ingezonden rekeningafschrift waarop is vermeld dat appellante op 25 februari 2014 aan haar zorgverlener € 4.200,- heeft uitbetaald, is niet vermeld op welke periode deze betaling betrekking heeft. In de door appellante ingestuurde zorgovereenkomst is niet vermeld dat met de zorgverlener is overeengekomen dat de maandelijkse betalingen in één keer zouden worden voldaan. Ondanks dat het Zorgkantoor daartoe heeft verzocht, heeft appellante geen declaratieformulieren van de zorgverlener overgelegd. Appellante heeft gesteld dat ze logboeken over de verleende zorg heeft bijgehouden, maar ook die heeft ze ondanks verzoeken van het Zorgkantoor niet ingezonden. Gelet hierop was het Zorgkantoor op grond van artikel 2.6.12, tweede lid, sub a, van het Rsa bevoegd de pgb’s over de jaren 2013 en 2014 in te trekken omdat appellante over die jaren niet aan haar verantwoordingsverplichtingen heeft voldaan.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat appellante heeft nagelaten declaraties van de aan haar in 2013 en 2014 verleende zorg in te sturen. Verder heeft appellante haar stelling dat zij alle stukken op 1 mei 2014 naar het Zorgkantoor heeft gezonden, niet onderbouwd. Het Zorgkantoor heeft dan ook de verleningsbeslissingen van de pgb’s over 2013 en 2014 kunnen intrekken op de grond dat appellante niet heeft voldaan aan haar verantwoordingsplicht.
3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij heeft zich op het standpunt gesteld dat zij wel degelijk aan haar verantwoordingverplichtingen heeft voldaan. Bovendien was voor haar destijds niet voldoende duidelijk welke stukken nodig waren om de verantwoording compleet te maken. Appellante heeft toegezegd dat zij de benodigde stukken alsnog zal insturen.
4.1.
De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de overwegingen waarop dat oordeel berust. De Raad voegt hier het volgende aan toe.
4.2.
Hoewel in het hoger beroepschrift aangekondigd heeft appellante ook nu geen nadere stukken in het geding gebracht op grond waarvan geoordeeld zou kunnen worden dat zij over de jaren 2013 en 2014 aan haar verantwoordingsverplichtingen heeft voldaan.
4.3.
Uit 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door A.J. Schaap, in tegenwoordigheid van R.I. Troelstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 november 2016.
(getekend) A.J. Schaap
(getekend) R.I. Troelstra

TM