Appellante was geïndiceerd voor persoonlijke verzorging en ontving voor 2013 en 2014 persoonsgebonden budgetten (pgb). Het Zorgkantoor verleende deze pgb’s onder de verplichting tot verantwoording van de besteding.
Ondanks herhaalde verzoeken heeft appellante niet de volledige administratie en benodigde declaraties overgelegd. Het Zorgkantoor trok daarom de pgb’s in op grond van artikel 2.6.12 van de Regeling subsidies AWBZ.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond omdat zij onvoldoende bewijs leverde dat zij aan haar verantwoordingsplicht had voldaan. In hoger beroep bevestigde de Raad dit oordeel, waarbij werd meegewogen dat appellante geen aanvullende stukken had ingediend die haar stelling konden ondersteunen.
De Raad concludeerde dat het hoger beroep niet slaagt en bevestigde de intrekking van de pgb’s. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.