ECLI:NL:CRVB:2016:458
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.W.J. Schoor
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens niet-toegenomen arbeidsongeschiktheid
Appellant, die sinds 2007 ziek gemeld is met rugklachten, ontving aanvankelijk een WW-uitkering. Het UWV stelde in 2009 vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en weigerde een WIA-uitkering. Na bezwaar en beroep werd dit besluit bevestigd door rechtbank en Raad. In 2013 meldde appellant verslechtering van zijn gezondheid met verwijzing naar een MRI-scan. Het UWV stelde na onderzoek vast dat er geen toename van arbeidsongeschiktheid was en wees de WIA-uitkering opnieuw af.
Appellant voerde aan dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek onzorgvuldig was en dat zijn beperkingen waren toegenomen, onder meer door littekenvorming en zenuwwortelbeïnvloeding. De verzekeringsarts bezwaar en beroep concludeerde echter dat de beperkingen ongewijzigd waren en dat het protocol lumbosacraal radiculair syndroom correct was toegepast. De rechtbank oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig en volledig was en de conclusies juist.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef dit oordeel. Nieuwe medische informatie, waaronder een liesbreuk en medicatiegebruik, leidde niet tot een ander oordeel over de belastbaarheid van appellant. Er waren geen aanwijzingen dat de verzekeringsarts onzorgvuldig had gehandeld of dat de beperkingen waren toegenomen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd.