ECLI:NL:CRVB:2016:4589
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.E. Bakker
- H. van Leeuwen
- L. Koper
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV waarin werd vastgesteld dat zij met ingang van 22 mei 2014 minder dan 35% arbeidsongeschikt is en daarom geen recht heeft op een WIA-uitkering. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was en de beperkingen van appellante adequaat waren vastgesteld in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML).
Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij vanwege psychische klachten niet in staat zou zijn om zes uur per dag en dertig uur per week te werken en dat het UWV-onderzoek niet objectief was. Tevens stelde zij dat de omvang van haar maatmanfunctie onjuist was vastgesteld. De Raad oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was, de beperkingen juist waren gemotiveerd en dat de omvang van de maatmanfunctie correct was berekend.
De Raad concludeerde dat appellante medisch gezien in staat is om de voorbeeldfuncties te vervullen waarop de beoordeling is gebaseerd en dat de mate van arbeidsongeschiktheid terecht onder de 35% is vastgesteld. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de afwijzing van de WIA-uitkering bevestigd.