Uitspraak
OVERWEGINGEN
.Verder heeft appellant een brief van UMCG van
Centrale Raad van Beroep
Appellant, werkzaam als chauffeur medicijnvervoer, vroeg een WIA-uitkering aan na een verkeersongeval in 2009. Het UWV weigerde aanvankelijk de uitkering, maar verklaarde appellant later verzekerd en nam de aanvraag in behandeling. De verzekeringsarts stelde beperkingen vast in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 28 juli 2014, waarna de arbeidsdeskundige concludeerde dat appellant geschikt was voor passende arbeid. Het UWV besloot daarom dat geen recht op uitkering bestond per 30 juli 2011.
Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit en voerde aan dat de verzekeringsarts niet objectief had gehandeld en onvoldoende rekening had gehouden met zijn actuele medische situatie. Na herbeoordeling bleef het UWV bij haar standpunt. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de beperkingen niet verder reikten dan in de FML waren vastgesteld.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn bezwaren en leverde aanvullende medische stukken aan. De Raad stelde vast dat deze stukken geen nieuwe relevante informatie bevatten voor de beoordeling per 30 juli 2011. De Raad onderschreef de rechtbank en het UWV, en bevestigde dat de beperkingen niet waren onderschat. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit bevestigd, waardoor appellant geen recht heeft op WIA-uitkering per 30 juli 2011.