ECLI:NL:CRVB:2016:4600
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen recht op WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid na zorgvuldige medische beoordeling
Appellant, werkzaam als boekbinder voor 28 uur per week, meldde zich ziek met rug-, cardiale en later duizeligheidsklachten. Hij vroeg een WIA-uitkering aan, waarop het UWV een functionele mogelijkhedenlijst (FML) opstelde met beperkingen op diverse werkaspecten. Het UWV besloot dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en geen recht had op een uitkering.
Na bezwaar en beroep bleef het UWV bij dit standpunt, ondersteund door een aanvullende medische beoordeling en hoorzitting. De rechtbank Limburg verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de beperkingen correct waren vastgesteld. De geselecteerde functies waren passend bij de beperkingen.
In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn klachten niet serieus waren genomen en dat hij de functies niet kon vervullen. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellant geen nieuwe medische gegevens had ingebracht die de eerdere beoordeling konden wijzigen. De Raad volgde de rechtbank in de conclusie dat de beperkingen juist waren vastgesteld en dat de functies passend waren.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV bevestigd dat appellant geen recht heeft op een WIA-uitkering.