Uitspraak
.Voor appellante is verschenen mr. Van Berkel. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door
Centrale Raad van Beroep
Appellante, geboren in 1942 en vervolgde in de zin van de Wuv, vroeg in november 2014 een voorziening voor de aanschaf van een auto aan vanwege psychische klachten gerelateerd aan haar vervolging. De Sociale verzekeringsbank wees dit af omdat zij niet medisch noodzakelijk of medisch sociaal wenselijk was geacht, aangezien zij gebruik kan maken van een taxi.
Appellante stelde dat zij door haar angststoornissen en PTSS niet zelfstandig met een taxi kan reizen en dat het meerijden met haar broer geen zelfstandig criterium is. Medisch advies van arts Roelofs concludeerde dat er geen medische noodzaak was voor een auto op basis van de psychische klachten, maar wel voor sociale vervoerskosten vanwege longklachten.
Een andere arts, Laatsch, stelde dat de fobische klachten het gebruik van een taxi onmogelijk maken, maar dit werd door een derde arts, Ohlenslager, weerlegd op grond van het feit dat appellante regelmatig met haar broer meerijdt. Verweerder mocht het criterium 'absolute verhindering' strikt uitleggen en concludeerde dat appellante geen recht heeft op een auto.
De Raad oordeelt dat het beroep ongegrond is omdat appellante onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij niet met een taxi kan reizen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de aanvraag voor een auto blijft in stand.