ECLI:NL:CRVB:2016:4660
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging besluit opleggen specifieke arbeidsverplichtingen in plan van aanpak WWB
Appellante ontving bijstand op grond van de WWB en verrichtte werkzaamheden voor een stichting in het kader van re-integratie. Op 1 juli 2014 werd een plan van aanpak opgesteld waarin haar arbeidsverplichtingen werden gespecificeerd. Het college legde op 15 juli 2014 op basis van dit plan specifieke arbeidsverplichtingen op, welke later bij besluit van 24 april 2015 tijdelijk werden aangepast.
Appellante voerde aan dat het werkverband met de stichting niet deugdelijk was beëindigd en dat het college hiervoor een apart besluit had moeten nemen. Tevens stelde zij dat zij recht had op een normale beloning in plaats van een maandelijkse vergoeding. De Raad oordeelde dat het bestreden besluit zich niet richt op de beëindiging van de werkzaamheden of de beloning, maar uitsluitend op de arbeidsverplichtingen zoals gespecificeerd in het plan van aanpak.
Verder werd geoordeeld dat er geen sprake was van schending van procedurele regels, aangezien appellante voldoende gelegenheid had gehad haar standpunten naar voren te brengen. Klachten over onbehoorlijk bestuur en werkgeverschap werden niet gegrond verklaard omdat deze niet relevant waren voor het bestreden besluit.
De Centrale Raad van Beroep verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 21 april 2016. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.