Uitspraak
13 mei 2016, 15/6109 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant was werkzaam als slager en meldde zich ziek met klachten aan het rechteroor en hoofdpijn. Na meerdere medische onderzoeken door verzekeringsartsen en het inwinnen van informatie bij diverse behandelaars, werd vastgesteld dat appellant per 10 juni 2015 geschikt was voor zijn arbeid.
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) besloot daarop de Ziektewetuitkering te beëindigen. Appellant maakte bezwaar, maar dit werd ongegrond verklaard. De rechtbank Rotterdam bevestigde dit besluit en oordeelde dat appellant ondanks zijn klachten in staat was zijn werkzaamheden te verrichten.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunt over zijn arbeidsongeschiktheid, maar de Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank. De Raad stelde vast dat de gehoorproblemen geen belemmering vormen voor het klantcontact en dat er geen nieuwe medische gegevens waren die tot een ander oordeel leiden.
Daarom werd het hoger beroep afgewezen en de eerdere uitspraak bekrachtigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de beëindiging van de Ziektewetuitkering per 10 juni 2015 bevestigd.