ECLI:NL:CRVB:2016:4689
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A. Stehouwer
- J.L. Boxum
- J.H.M. van de Ven
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit terugvordering bijstand wegens strijd met rechtszekerheidsbeginsel
In deze zaak gaat het om een geschil over de hoogte van de terugvordering van bijstand door het college van burgemeester en wethouders van Leiden aan appellant. Het college had aanvankelijk een terugvordering vastgesteld van €44.367,- wegens niet gemelde stortingen op een bankrekening in de periode van augustus 2005 tot oktober 2007. Tijdens het beroepsproces wijzigde het college echter haar standpunt en stelde dat de terugvordering €12.603,31 moest bedragen, rekening houdend met het vrij te laten vermogen van appellant.
De rechtbank nam dit gewijzigde standpunt over en verklaarde het beroep ongegrond, waarbij het bedrag van €12.603,31 als uitgangspunt werd genomen. Later stelde het college bij een nieuw besluit echter weer het oorspronkelijke bedrag van €44.367,- als uitgangspunt voor de aflossing van de resterende schuld. Appellant stelde dat dit niet verenigbaar was met het eerdere standpunt van het college en de afbakening van het geding door de rechtbank.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het college in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel heeft gehandeld door het oorspronkelijke bedrag opnieuw als uitgangspunt te nemen. De Raad vernietigt het bestreden besluit en herroept het besluit waarin het bedrag van €44.367,- werd gehanteerd. In plaats daarvan wordt het bedrag van €12.603,31 als uitgangspunt genomen voor de resterende schuld. Tevens veroordeelt de Raad het college in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het terugvorderingsbedrag wordt vastgesteld op €12.603,31 en het besluit dat €44.367,- als uitgangspunt nam wordt vernietigd.