ECLI:NL:CRVB:2016:4697
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijzondere bijstand voor verhuis- en inrichtingskosten wegens ontbreken noodzaak en woonplaatsbeginsel
Appellant vroeg bijzondere bijstand aan voor verhuis- en inrichtingskosten na verhuizing naar een woning in een andere gemeente. Het college wees de aanvraag af omdat geen noodzaak voor verhuizing bestond en appellant op het moment van aanvraag niet woonde in de gemeente die de bijstand verleende.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat hij vanwege bedreigingen en mishandeling genoodzaakt was te verhuizen en dat hij recht had op bijstand van de gemeente waar hij voorheen woonde.
De Raad oordeelde dat de verhuis- en inrichtingskosten tot de algemeen noodzakelijke kosten behoren en in principe uit eigen middelen moeten worden voldaan, tenzij bijzondere omstandigheden aantoonbaar zijn. De aangeleverde bewijsstukken betroffen een periode van bijna drie jaar voor de aanvraag, waardoor geen acute noodzaak werd vastgesteld.
Daarnaast is volgens het woonplaatsbeginsel de gemeente waar appellant op het moment van aanvraag stond ingeschreven bevoegd voor de aanvraag. Appellant was op dat moment ingeschreven in de nieuwe gemeente, waardoor het college van zijn voormalige woonplaats niet bevoegd was.
De Raad bevestigde daarom de eerdere uitspraak en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van bijzondere bijstand wegens ontbreken van noodzaak tot verhuizing en toepassing van het woonplaatsbeginsel.