ECLI:NL:CRVB:2013:BZ4854
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid college bij aanvraag bijzondere bijstand voor betalingsachterstand ziektekostenverzekering
Appellant ontving aanvankelijk bijstand van het college van Venlo en was verzekerd tegen ziektekosten bij VGZ, waarvan de premie door het college werd betaald. Na intrekking van de bijstand door het college van Venlo wegens onbekende verblijfplaats, stopte het college ook met de premiebetaling, waardoor een betalingsachterstand ontstond. Vervolgens ontving appellant bijstand van het college van Roerdalen, waar hij woonachtig was.
Appellant vroeg bij het college van Venlo bijzondere bijstand aan om de betalingsachterstand bij VGZ te voldoen. Dit werd afgewezen omdat geen bijstand met terugwerkende kracht wordt verleend en voor schulden geen bijstand wordt gegeven. Het college van Venlo verklaarde zich bovendien onbevoegd en stuurde de aanvraag door naar het college van Roerdalen.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze beslissing ongegrond. In hoger beroep betoogde appellant dat de rechtbank de artikelen 40 en 44 van de WWB onjuist had toegepast. De Raad oordeelde echter dat het college van Venlo terecht de aanvraag had doorgestuurd, omdat appellant op het moment van aanvraag woonachtig was in Roerdalen en daar bijstand ontving, en dus alleen het college van Roerdalen bevoegd was om de aanvraag te beoordelen.
De Raad wees het hoger beroep af en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het college van Venlo niet bevoegd was om te beslissen op de aanvraag bijzondere bijstand en wijst het hoger beroep af.