Appellante werd door het UWV op 7 februari 2011 medegedeeld dat zij geen recht had op een Ziektewetuitkering omdat haar arbeidsongeschiktheid niet het gevolg zou zijn van zwangerschap of bevalling. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond. In hoger beroep heeft het UWV, na een deskundigenonderzoek, haar standpunt gewijzigd en het bezwaar van appellante gegrond verklaard met een gewijzigde beslissing op 17 november 2015.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het bestreden besluit onrechtmatig is en dat het UWV met de gewijzigde beslissing geheel aan de bezwaren tegemoet is gekomen. De Raad veroordeelt het UWV tot vergoeding van de proceskosten die appellante redelijkerwijs heeft moeten maken in beroep en hoger beroep, waaronder kosten voor rechtsbijstand, een deskundige en reiskosten.
Verder is vastgesteld dat de redelijke termijn in de rechterlijke fase is overschreden. De Raad bepaalt dat de Staat der Nederlanden een schadevergoeding van € 1.000,- moet betalen wegens deze overschrijding. Daarnaast moet het UWV het betaalde griffierecht vergoeden. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd en het beroep wordt gegrond verklaard.