ECLI:NL:CRVB:2016:4714
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging besluit UWV over beëindiging recht op ziekengeld per 14 april 2014
Appellant, werkzaam als medewerker logistiek, meldde zich op 22 december 2009 ziek en ontving toen een WW-uitkering. Na een verblijf in Iran keerde hij terug en ontving ziekengeld. Het UWV stelde vast dat hij vanaf 20 december 2011 minder dan 35% arbeidsongeschikt was en keerde WW-uitkering uit. Op 18 december 2013 meldde appellant zich opnieuw ziek met lichamelijke klachten. Een verzekeringsarts beoordeelde hem op 11 april 2014 als geschikt voor diverse functies, waarna het UWV besloot het ziekengeld per 14 april 2014 te beëindigen. Appellant maakte bezwaar, dat ongegrond werd verklaard.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, omdat het medisch onderzoek zorgvuldig was. In hoger beroep stelde appellant dat zijn psychische klachten onvoldoende waren meegewogen en verzocht om een psychiatrisch onderzoek. De Raad overwoog dat het recht op ziekengeld afhankelijk is van ongeschiktheid voor de laatst verrichte arbeid, met uitzondering van langdurige ziekte waarbij het WIA-beoordelingskader geldt. Uit het medisch onderzoek bleek dat psychische klachten aanwezig waren, maar dat benutbare mogelijkheden bestonden en geen actuele psychische stoornis met beperkingen was vastgesteld.
Appellant had geen actuele psychologische of psychiatrische behandeling en leverde geen recente medische stukken aan. De verzekeringsarts bezwaar en beroep reageerde op alle medische stukken en handhaafde het standpunt. De Raad concludeerde dat het besluit zorgvuldig was voorbereid en dat het hoger beroep niet slaagt. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd en er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV om het recht op ziekengeld per 14 april 2014 te beëindigen wordt bevestigd.