ECLI:NL:CRVB:2016:4719
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening en terugvordering AOW-toeslag wegens niet-melding inkomen echtgenote
Appellant ontvangt sinds juni 2006 een AOW-uitkering en ontving vanaf december 2009 een toeslag voor zijn echtgenote. In 2010 gaf appellant door dat zijn echtgenote geen inkomsten meer had, waarna de toeslag werd aangepast. Later bleek echter dat de echtgenote vanaf september 2010 in België werkte, wat appellant niet had gemeld.
De Sociale Verzekeringsbank (Svb) herzag de toeslag en vorderde te veel betaalde bedragen terug, inclusief een boete vanwege het niet tijdig doorgeven van het inkomen. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en legde de boete vast.
In hoger beroep stelde appellant dat hij duurzaam gescheiden leefde en daarom het inkomen van zijn echtgenote niet hoefde op te geven, en dat er dringende redenen waren om van terugvordering af te zien. De Raad oordeelde dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat sprake was van duurzaam gescheiden leven en dat hij zijn informatieplicht had geschonden. Van dringende redenen om af te zien van terugvordering was geen sprake. De boete was terecht en proportioneel opgelegd.
De Raad bevestigde daarmee het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de herziening, terugvordering en boete worden bevestigd.