ECLI:NL:CRVB:2016:4793

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
13 december 2016
Publicatiedatum
14 december 2016
Zaaknummer
14/6397 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proceskostenveroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75a AwbArt. 8:108 AwbWet werk en bijstand
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing proceskostenveroordeling bij intrekking hoger beroep AIO-aanvulling

Appellanten hadden een aanvraag ingediend voor een aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO) op 11 februari 2013, welke door de Sociale verzekeringsbank (Svb) werd afgewezen. Vervolgens werd een nieuw verzoek ingediend op 11 februari 2014, waarop bij besluit van 25 april 2014 werd beslist. Naar aanleiding van een schikking tijdens de rechtbankprocedure is de AIO-aanvulling met ingang van 1 augustus 2014 toegekend.

Appellanten trokken het hoger beroep tegen de afwijzing van de oorspronkelijke aanvraag van 2013 in, mede op basis van afspraken gemaakt tijdens de zitting van de rechtbank op 5 februari 2015. Zij verzochten de Raad om de Svb te veroordelen in de proceskosten.

De Raad oordeelt dat het toekennen van de AIO-aanvulling met ingang van 1 augustus 2014 niet kan worden gezien als geheel of gedeeltelijk tegemoetkomen aan appellanten in het hoger beroep over de afwijzing van de aanvraag van 2013. De intrekking van het hoger beroep is het gevolg van de gemaakte afspraken en niet van het alsnog inwilligen van de oorspronkelijke aanvraag. Daarom wordt het verzoek tot proceskostenveroordeling afgewezen.

Uitkomst: Het verzoek om proceskostenveroordeling wordt afgewezen omdat de intrekking van het hoger beroep niet het gevolg is van tegemoetkoming voor de oorspronkelijke aanvraag.

Uitspraak

Datum uitspraak: 13 december 2016
14/6397 WWB
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van
9 oktober 2014, 13/5319 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] en [appellanten] te [woonplaats] (appellanten)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. D. Gürses, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Bij brief van 3 juni 2016 heeft de Svb gewezen op de ter zitting van de rechtbank van
5 februari 2015 gemaakte afspraken tussen partijen.
Bij brief van 21 juni 2016 heeft mr. Gürses namens appellanten het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht de Svb te veroordelen in de proceskosten.
De Svb heeft gebruik gemaakt van de gelegenheid een verweerschrift in te dienen.
Bij brief van 19 september 2016 heeft de gemachtigde van appellanten gereageerd op het verweerschrift.
Bij brief van 10 oktober 2016 heeft de Svb gereageerd op de brief van 19 september 2016.
Met toestemming van partijen is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Op 11 februari 2013 hebben appellanten een aanvraag om een aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO-aanvulling) op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) ingediend. Bij besluit van 27 maart 2013 heeft de Svb de aanvraag om een AIO-aanvulling afgewezen.
Naar aanleiding van de schikking, overeengekomen tijdens de procedure bij de rechtbank, die plaatsvond naar aanleiding van een andere nieuwe aanvraag om AIO-aanvulling op
11 februari 2014 en waarop bij besluit van 25 april 2014 is beslist, heeft de Svb bij brief van 16 maart 2015 aan appellanten meegedeeld dat vanaf 1 augustus 2014 een AIO-aanvulling zal worden uitbetaald. Daarbij is meegedeeld dat de Svb geen griffiegeld of proceskosten zal vergoeden. Ter zitting van de rechtbank op 5 februari 2015 is overeengekomen dat, indien partijen overeenstemming over een ingangsdatum voor de AIO-aanvulling van appellanten hebben bereikt, appellanten alle procedures tussen partijen over de AIO-aanvulling zullen intrekken.
De Raad ziet geen grond voor toewijzing van het verzoek. Het toekennen van een
AIO-aanvulling met ingang van 1 augustus 2014 kan niet worden aangemerkt als het geheel of gedeeltelijk tegemoetkomen in de zin van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb. Daarmee wordt niet geheel of gedeeltelijk tegemoetgekomen aan appellanten in het onderhavige hoger beroep, waarin het gaat om de afwijzing van de aanvraag om AIO-aanvulling van 11 februari 2013. De intrekking van het hoger beroep houdt verband met de afspraken die zijn gemaakt ter zitting van de rechtbank van 5 februari 2015 en niet met het alsnog inwilligen van de aanvraag van 11 februari 2013.
Het verzoek om de Svb te veroordelen in de proceskosten van appellanten zal worden afgewezen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om de Svb te veroordelen in de proceskosten van appellanten af.
Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens, in tegenwoordigheid van R. Groothuis als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 december 2016.
(getekend) W.F. Claessens
(getekend) R. Groothuis

IJ