ECLI:NL:CRVB:2016:4911

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
14 december 2016
Publicatiedatum
21 december 2016
Zaaknummer
15/2534 WW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 77a WW
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering toestemming startersregeling wegens ontbreken ondubbelzinnige toezegging

Appellant had na beëindiging van zijn dienstverband een WW-uitkering aangevraagd en wenste direct te starten als zelfstandige. Het UWV weigerde hem toestemming te geven voor de startersregeling omdat hij geen WW-uitkering ontving. Appellant beriep zich op het vertrouwensbeginsel, stellende dat tijdens een startersbijeenkomst een toezegging was gedaan dat hij in aanmerking zou komen voor de regeling.

De rechtbank verwierp dit beroep omdat er geen ondubbelzinnige, ongeclausuleerde toezegging was gedaan en appellant pas begon met zijn werkzaamheden nadat het besluit van weigering al bekend was. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat de mededelingen tijdens de startersbijeenkomst niet als toezegging konden worden aangemerkt en appellant geen toestemming had ontvangen.

Het verzoek om getuigenverhoor werd afgewezen omdat dit geen nieuwe feiten zou opleveren. De Raad concludeerde dat er geen sprake was van een gedragsbepalende toezegging en dat het hoger beroep ongegrond is. De aangevallen uitspraak werd bevestigd zonder toekenning van proceskosten.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van toestemming voor de startersregeling wordt bevestigd.

Uitspraak

15/2534 WW
Datum uitspraak: 14 december 2016
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank Gelderland van 27 februari 2015, 14/3320 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 november 2016. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.J. Reith.

OVERWEGINGEN

1.1.
Na beëindiging van zijn dienstverband met een vorige werkgever per 1 januari 2014 heeft appellant op 16 januari 2014 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) aangevraagd. Bij deze aanvraag heeft appellant zijn wens kenbaar gemaakt om direct te beginnen met een eigen bedrijf. Bij besluit van 21 januari 2014 heeft het Uwv bepaald dat appellant tot en met 30 april 2014 geen WW-uitkering kan krijgen, omdat hij zijn dienstverband heeft beëindigd voor de geldende opzegtermijn. Tegen dit besluit heeft appellant geen bewaar gemaakt.
1.2.
Op 16 januari 2014 heeft appellant een startersbijeenkomst van het Uwv bijgewoond en gesproken met [naam 1] over de mogelijkheden om te starten als zelfstandige. Vervolgens heeft appellant op 28 januari 2014 een gesprek gehad met de [naam 2] van het Werkbedrijf Uwv.
1.3.
Bij besluit van 29 januari 2014 heeft het Uwv geweigerd om appellant toestemming te geven om gebruik te maken van de startersregeling, omdat appellant om toestemming te kunnen krijgen een WW-uitkering dient te ontvangen en dat dit niet het geval is.
1.4.
Op 3 februari 2014 is appellant gestart met zijn werkzaamheden als zelfstandige.
1.5.
Bij besluit van 7 april 2014 (bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellant tegen het besluit van 29 januari 2014 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat het beroep van appellant op het vertrouwensbeginsel niet slaagt, omdat er geen sprake is van een ondubbelzinnige, ongeclausuleerde toezegging. De rechtbank heeft vastgesteld dat [naam 1] in een e-mail van 19 maart 2014 heeft ontkend toezeggingen te hebben gedaan over het verlenen van toestemming voor de startersregeling. Appellant heeft zijn beroep op het vertrouwensbeginsel niet aannemelijk gemaakt en dat komt voor zijn rekening en risico. Bovendien is appellant pas op 3 februari 2014 begonnen met zijn werkzaamheden, op welk moment het Uwv met zijn besluit van 29 januari 2014 al kenbaar had gemaakt geen toestemming te verlenen voor de startersregeling. Van een gerechtvaardigd vertrouwen was op dat moment in ieder geval geen sprake meer.
3.1.
In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank zijn beroep op het vertrouwensbeginsel ten onrechte niet heeft gehonoreerd. Volgens appellant heeft Raassen hem tijdens de startersbijeenkomst op 16 januari 2014 gezegd dat hij in aanmerking kon komen voor de startersregeling, maar dat hij dan eerst nog naar het Uwv in Arnhem moest gaan om zijn bedrijfsplan te laten toetsen. Appellant heeft de Raad verzocht om [naam 1] hierover als getuige te horen. De persoon naar wie [naam 1] hem had verwezen, kon hij niet aan de telefoon krijgen. In plaats daarvan heeft hij op 28 januari 2014 gesproken met Bosman, maar [naam 2] vond het overbruggen van een periode van drie maanden zonder een
WW-uitkering teveel en wilde geen toestemming geven. Naar het bedrijfsplan heeft hij niet eens gekeken, aldus appellant.
3.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak verzocht.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Op grond van artikel 77a, eerste lid, onder c, van de WW kan het Uwv een werknemer toestemming verlenen om gedurende 26 kalenderweken werkzaamheden in de uitoefening van een bedrijf of de zelfstandige uitoefening van een beroep te verrichten, indien de werknemer een WW-uitkering heeft. Tussen partijen is niet in geschil dat appellant tot en met 30 april 2014 geen aanspraak had op een WW-uitkering en voor die tijd niet aan genoemd vereiste voldeed.
4.2.
Aan de orde is alleen de vraag of appellant een beroep op het vertrouwensbeginsel toekomt en in het verlengde daarvan of de rechtbank dit beroep terecht heeft verworpen.
4.3.
Aan hetgeen [naam 1] volgens appellant tijdens de startersbijeenkomst tegen hem heeft gezegd, kan appellant niet het vertrouwen hebben ontleend dat hij toestemming zou krijgen voor de startersregeling. Volgens zijn eigen zeggen, zoals hij ook op de zitting van de Raad heeft bevestigd, heeft [naam 1] hem tijdens die bijeenkomst geen ondubbelzinnige ongeclausuleerde toezegging gedaan dat hij toestemming voor de startersregeling zou krijgen. Appellant zou immers eerst nog moeten laten beoordelen of zij bedrijf levensvatbaar was. Het horen van [naam 1] als getuige kan dan ook niet bijdragen aan het bewijs dat appellant een beroep op het vertrouwensbeginsel toekomt. Het verzoek van appellant om [naam 1] als getuige te horen, wordt daarom afgewezen.
4.4.
Verder staat vast dat appellant van [naam 2] geen toestemming heeft gekregen voor de startersregeling. Ook aan dit gesprek heeft appellant dus niet het vertrouwen kunnen ontlenen dat hij deze toestemming zou krijgen. Dat aan de weigering om toestemming te verlenen een andere reden ten grondslag ligt dan de levensvatbaarheid van het bedrijf van appellant, doet hieraan niet af. Dat appellant geen toestemming zou krijgen voor de startersregeling is hem bovendien bij besluit van 29 januari 2014 meegedeeld, terwijl appellant pas op 3 februari 2014 is begonnen met zijn werkzaamheden als zelfstandige. Van een gedragsbepalende toezegging dat aan appellant toestemming zou worden verleend is daarom geen sprake.
4.5.
Uit hetgeen is overwogen in 4.3 en 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling tot vergoeding van de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door C.C.W. Lange als voorzitter en H.R. Rottier en
F.M.S. Requisizione als leden, in tegenwoordigheid van R.I. Troelstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 december 2016.
(getekend) C.C.W. Lange
(getekend) R.I. Troelstra
IvR