ECLI:NL:CRVB:2016:4920

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
21 december 2016
Publicatiedatum
21 december 2016
Zaaknummer
16/2834 ZW-V
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55, zevende lid, AwbArt. 8:108, eerste lid, Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet gegrond tegen niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep wegens griffierecht

De Centrale Raad van Beroep behandelde het verzet tegen de eerdere beslissing van 14 september 2016 waarbij het hoger beroep van appellante niet-ontvankelijk werd verklaard wegens het niet tijdig voldoen van het griffierecht.

De Raad overwoog dat het griffierecht niet binnen de gestelde termijn van vier weken was voldaan, zoals aangetekend medegedeeld op 13 juli 2016. Hierdoor was appellante in verzuim. Echter, gelet op de bijzondere omstandigheden van het geval, werd appellante alsnog in de gelegenheid gesteld het griffierecht te voldoen, wat tijdig gebeurde.

Daarom verklaarde de Raad het verzet gegrond, verviel de eerdere niet-ontvankelijkverklaring en werd het onderzoek voortgezet in de stand waarin het zich bevond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd aan appellante.

De uitspraak werd gedaan door T.G.M. Simons, in aanwezigheid van griffier J.A. Achterberg, op 21 december 2016.

Uitkomst: Het verzet wordt gegrond verklaard en het onderzoek wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond.

Uitspraak

Datum uitspraak: 21 december 2016
16/2834 ZW-V
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:55, zevende lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 24 maart 2016, 15/8277 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

PROCESVERLOOP

Bij uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht van 14 september 2016 heeft de Raad het namens appellante door mr. O. Arslan ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.
Namens appellante heeft mr. N. Çiçek als opvolgend gemachtigde verzet gedaan.

OVERWEGINGEN

De uitspraak van de Raad van 14 september 2016 berust op de overwegingen dat het verschuldigde griffierecht niet binnen de bij - aangetekend verzonden - brief van 13 juli 2016 gestelde termijn van vier weken is bijgeschreven op de rekening van de Raad dan wel ter griffie is gestort, en dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest.
Gelet op de bijzondere omstandigheden van het geval heeft de Raad (de gemachtigde van) appellante in de gelegenheid gesteld het verschuldigde griffierecht alsnog te voldoen, waarna het tijdig is voldaan.
Dit betekent dat het verzet gegrond wordt verklaard, de uitspraak van de Raad van
14 september 2016 vervalt en het onderzoek wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond.
Voor een veroordeling in de proceskosten van het verzet ziet de Raad geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet gegrond.
Deze uitspraak is gedaan door T.G.M. Simons, in tegenwoordigheid van J.A. Achterberg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 december 2016.
(getekend) T.G.M. Simons
(getekend) J.A. Achterberg

JL