ECLI:NL:CRVB:2016:4939
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.M.G. Hink
- J.T.H. Zimmerman
- J.H.M. van de Ven
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijstandsaanvraag wegens gezamenlijke huishouding tussen betrokkene en kostgever
Betrokkene vroeg bijstand aan als alleenstaande, maar het college wees de aanvraag af omdat betrokkene volgens hen een gezamenlijke huishouding voerde met K, de kostgever van de woonruimte. Betrokkene woonde sinds 2013 op basis van een kostgangersovereenkomst bij K, waarbij zij een kamer huurde en gebruik maakte van gemeenschappelijke ruimtes.
Na meerdere gesprekken, een huisbezoek en verklaringen van beide partijen concludeerde het college dat er sprake was van wederzijdse zorg en financiële verstrengeling die de zakelijke relatie van kostganger en kostgever overstijgt. De rechtbank oordeelde anders en vernietigde het besluit van het college, maar de Centrale Raad van Beroep herzag dit oordeel.
De Raad stelde vast dat betrokkene en K hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden en dat er sprake was van wederzijdse zorg, zoals gezamenlijk wassen, gebruik van boodschappen, vervoer naar ziekenhuis en het betalen van rekeningen. Deze feiten overschrijden de grenzen van een zakelijke kostgangersrelatie.
Daarom had betrokkene geen recht op bijstand als alleenstaande en was de afwijzing van de aanvraag terecht. De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep ongegrond.
Uitkomst: De bijstandsaanvraag van betrokkene is terecht afgewezen wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding met wederzijdse zorg.