In deze zaak heeft de Centrale Raad van Beroep het hoger beroep behandeld van appellante tegen een besluit van het UWV betreffende haar geschiktheid voor werk op basis van de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Na eerdere tussenuitspraak is de FML door de verzekeringsarts aangepast en door een arbeidsdeskundige beoordeeld, waarbij werd vastgesteld dat appellante geschikt is voor haar eigen functie en vier voorbeeldfuncties.
Appellante heeft meerdere rapporten van arbeidsdeskundigen overgelegd waarin zij haar beperkingen, waaronder faalangst, benadrukt. Het UWV heeft hierop gereageerd met aanvullende rapporten waarin wordt gesteld dat de functies aansluiten bij haar mogelijkheden en dat faalangst geen belemmering vormt voor de uitvoering van deze functies.
De Raad stelt vast dat de aangepaste FML in overeenstemming is met het deskundigenrapport van een psychiater en dat appellante onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij meer beperkingen heeft dan vastgesteld. De geschiktheid voor de functies is voldoende onderbouwd. Hoewel het bestreden besluit in hoger beroep een juiste motivering krijgt, kan het in rechte geen stand houden. De Raad verklaart het beroep gegrond, vernietigt het besluit, maar laat de rechtsgevolgen daarvan in stand. Tevens veroordeelt de Raad het UWV tot vergoeding van de proceskosten van appellante.