ECLI:NL:CRVB:2016:5022
Centrale Raad van Beroep
- Eerste en enige aanleg
- B.J. van de Griend
- M.T. Boerlage
- H.A.A.G. Vermeulen
- Rechtspraak.nl
Afwijzing herzieningsverzoeken en toekenning schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn
Appellant, geboren in 1943 in Nederlands-Indië, diende meerdere verzoeken in om herziening van afwijzingen voor toekenning van uitkeringen op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv) en de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo). Deze verzoeken werden afgewezen omdat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij tijdens de Japanse bezetting geïnterneerd was geweest of een gebeurtenis had meegemaakt die onder de Wubo valt.
De Raad toetste de besluiten met terughoudendheid vanwege het discretionaire karakter van de herzieningsbevoegdheid en concludeerde dat geen nieuwe feiten of gegevens waren aangevoerd die tot andere beslissingen zouden moeten leiden. Onderzoek naar het vermeende interneringskamp op Alor leverde geen bevestiging op, en ook de door appellant aangevoerde bronnen boden onvoldoende bewijs.
Daarnaast verzocht appellant om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn in de rechterlijke fase. De Raad stelde vast dat de rechterlijke fase ruim twee jaar en vier maanden duurde, wat een overschrijding van bijna vier maanden betekent. De Raad kende daarom een immateriële schadevergoeding van € 500,- toe.
De Raad verklaarde de beroepen ongegrond, handhaafde de bestreden besluiten en veroordeelde de Staat tot betaling van de schadevergoeding. Een proceskostenveroordeling werd niet toegewezen.
Uitkomst: De beroepen worden ongegrond verklaard en de Staat wordt veroordeeld tot betaling van € 500,- schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.