ECLI:NL:CRVB:2009:BI2179
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - meervoudig
- A. Beuker-Tilstra
- G.L.M.J. Stevens
- H.R. Geerling-Brouwer
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen afwijzing uitkering vervolgingsslachtoffer wegens onvoldoende bewijs verblijf en vervolging
Appellant, geboren in 1935, vroeg een periodieke uitkering als vervolgingsslachtoffer op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945. De aanvraag werd afgewezen omdat niet aannemelijk was gemaakt dat appellant vanwege zijn vermeende zigeunerafkomst vervolging had ondergaan en niet aan de nationaliteitseis voldeed.
Appellant stelde dat hij tijdens de oorlogsjaren in Nederland verbleef en ondergedoken was om vervolging te ontlopen, gesteund door getuigenverklaringen. De Raad oordeelde dat de objectieve gegevens, zoals een huwelijksakte uit Brussel en het domicilie van de familie, wezen op verblijf in België en Frankrijk, en kende weinig gewicht toe aan de verklaringen zonder specifieke onderbouwing.
De Raad bevestigde dat appellant niet voldeed aan de vervolgingscriteria en dat ook de nationaliteitseis niet onrechtmatig was. Verder werd de redelijke termijn van de procedure beoordeeld: hoewel de bezwaarprocedure binnen redelijke termijn verliep, duurde de beroepsprocedure langer dan 2,5 jaar. Een deel van deze vertraging werd gerechtvaardigd door het wachten op een prejudiciële uitspraak van het Hof van Justitie.
De Raad verklaarde het beroep ongegrond, heropende het onderzoek voor een mogelijke schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn en stelde de Staat der Nederlanden als partij aan in die procedure.
Uitkomst: Beroep afgewezen wegens onvoldoende bewijs van vervolging en verblijf in Nederland; onderzoek naar schadevergoeding wegens termijnoverschrijding heropend.