Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2016:5026

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
23 december 2016
Publicatiedatum
28 december 2016
Zaaknummer
15/4401 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging verlaging WAO-uitkering ondanks psychische klachten appellant

Appellant, sinds 2002 arbeidsongeschikt wegens psychische klachten en lichamelijke aandoeningen, kreeg een WAO-uitkering die laatstelijk was vastgesteld op 55-65% arbeidsongeschiktheid. Na melding van verslechtering van zijn gezondheid in 2014, waaronder toegenomen psychische klachten door rouw en financiële problemen, heeft het UWV de uitkering verlaagd naar 45-55%.

Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit en voerde aan dat zijn psychische klachten en vermoeidheid onvoldoende waren meegewogen, met name zijn noodzaak om overdag anderhalf uur te slapen. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en oordeelde dat de medische beoordeling zorgvuldig was en dat er geen aanwijzingen waren voor zwaardere beperkingen.

In hoger beroep handhaafde appellant zijn standpunt, maar de Centrale Raad van Beroep volgde de rechtbank en het UWV. De Raad vond de medische onderbouwing van het UWV overtuigend en zag geen reden om een urenbeperking toe te kennen. Appellant had geen nieuwe medische stukken overgelegd die het oordeel konden veranderen.

De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, en wees een proceskostenveroordeling af.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de verlaging van de WAO-uitkering naar 45-55% zonder urenbeperking.

Uitspraak

15/4401 WAO
Datum uitspraak: 23 december 2016
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 30 april 2015, 14/7439 WAO (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. C.J. Spitters, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en een rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ingezonden.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 november 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Spitters. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door
L. den Hartog.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant is op 2 september 2002 wegens psychische klachten uitgevallen voor zijn werk als palingkweker. Appellant is daarnaast bekend met klachten aan de linker hand, de rechter voet en het rechter onderbeen in verband met vaatproblematiek. Het Uwv heeft appellant met ingang van 1 september 2003 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend. Deze uitkering werd laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%.
1.2.
Appellant heeft het Uwv met een wijzigingsformulier, dat begin januari 2014 door het Uwv is ontvangen, gemeld dat zijn gezondheid met ingang van 1 januari 2014 is verslechterd. Appellant heeft te kennen gegeven dat zijn lichamelijke klachten zijn toegenomen en dat sprake is van toegenomen psychische klachten wegens rouwverwerking, in verband met het overlijden van zijn echtgenote en wegens financiële problemen. Naar aanleiding hiervan heeft een medisch en een arbeidskundig onderzoek plaatsgevonden. De verzekeringsarts heeft geconcludeerd dat de belastbaarheid van appellant is afgenomen. Hij heeft de datum van die afname arbitrair vastgesteld op 1 november 2013. De belastbaarheid van appellant is beschreven in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 19 februari 2014. De arbeidsdeskundige heeft op 5 mei 2014 over de uitkomsten van zijn onderzoek gerapporteerd. Bij besluit van 9 mei 2014 heeft het Uwv vastgesteld dat de WAO-uitkering van appellant vanaf 10 juni 2014 wordt verlaagd en berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.
1.3.
Het bezwaar van appellant tegen het besluit van 9 mei 2014 is bij besluit van
7 november 2014 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.
2.1.
In beroep heeft appellant aangevoerd dat zijn psychische klachten bij de medische beoordeling onderbelicht zijn gebleven. Appellant heeft te kennen gegeven dat hij wegens de rouwverwerking, het faillissement van zijn bedrijf en de gedwongen verkoop van zijn woning en andere onroerende zaken, half januari 2014 zodanig vermoeid was dat hij overdag anderhalf uur sliep. Hij heeft verder aangevoerd dat hij meer beperkt is wegens het vasthouden en het verdelen van de aandacht en herinneren.
2.2.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het medisch onderzoek voldoende zorgvuldig geacht en heeft in wat appellant in beroep heeft gesteld geen grond gezien voor twijfel aan de juistheid van de medische beoordeling. Naar het oordeel van de rechtbank moet op grond van de beschikbare gegevens worden aangenomen dat de verzekeringsartsen bij appellant niet te geringe beperkingen hebben vastgesteld. Daartoe heeft zij overwogen dat de verzekeringsartsen op de hoogte waren van de door appellant naar voren gebrachte klachten, waaronder zijn psychische klachten. Verder zijn er onvoldoende aanknopingspunten om appellant te volgen in zijn stelling dat hij op grond van de door hem ondervonden vermoeidheidsklachten zwaarder beperkt is. Een medische onderbouwing voor deze stelling ontbreekt nu, ondanks het gegeven dat appellant door verschillende specialisten is onderzocht, nog geen afdoende verklaring is gevonden voor zijn vermoeidheidsklachten. De rechtbank heeft meegewogen dat appellant zijn standpunt dat onvoldoende beperkingen zijn aangenomen niet nader heeft onderbouwd met medische gegevens. Ervan uitgaande dat de functionele mogelijkheden juist zijn vastgesteld, is de rechtbank niet gebleken dat de belasting van de geselecteerde functies de mogelijkheden van appellant overschrijdt.
3.1.
In hoger beroep heeft appellant de in beroep aangevoerde gronden gehandhaafd. Naar de mening van appellant hebben de verzekeringsartsen onvoldoende meegewogen dat hij overdag anderhalf uur moet slapen om normaal te kunnen functioneren.
3.2.
Het Uwv heeft de Raad verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Ter zitting van de Raad heeft appellant aangevoerd dat in hoger beroep alleen nog aan de orde is de juistheid van het oordeel van de rechtbank dat het Uwv terecht en op goede gronden heeft aangenomen dat er geen reden is voor een urenbeperking. Appellant heeft verder toegelicht dat hij geen specifieke gronden heeft tegen de aan de schatting ten grondslag gelegde functies.
4.2.
Wat appellant in hoger beroep heeft gesteld over de door hem ondervonden rustbehoefte overdag, heeft de Raad niet tot een ander oordeel gebracht dan wat is overwogen in de aangevallen uitspraak. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op 6 maart 2015 inzichtelijk uiteengezet waarom aanknopingspunten ontbreken om een urenbeperking aan te nemen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft toegelicht dat geen sprake is van een medisch plausibel energetisch gebrek, dat er geen sprake is van een verminderde beschikbaarheid van appellant op basis van een intensieve behandeling en dat evenmin sprake is van een medisch feitencomplex op grond waarvan om preventieve redenen een urenbeperking dient te worden aangenomen. Er zijn geen aanknopingspunten om deze naar behoren gemotiveerde beschouwingen van de verzekeringsarts bezwaar en beroep onjuist te achten. Appellant heeft in hoger beroep geen medische stukken ingezonden op grond waarvan getwijfeld kan worden aan de juistheid van de conclusies van de verzekeringsartsen. Weliswaar is in het huisartsenjournaal ten aanzien van de medische situatie van appellant op
3 februari 2014 gerapporteerd “moe toenemend in de loop van de dag; sinds twee weken; slaapt anderhalf uur overdag (normaal voor hem)”, maar dit betreft en is geen beschouwing van de huisarts. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft deze informatie betrokken bij zijn beoordeling in bezwaar en heeft hierin geen argumenten gezien om de voor appellant vastgestelde FML aan te passen.
4.3.
Uit 4.1 tot en met 4.2 volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen als voorzitter en J.W. Schuttel en P. Vrolijk als leden, in tegenwoordigheid van N. van Rooijen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 december 2016.
(getekend) J.P.M. Zeijen
(getekend) N. van Rooijen
GdJ