Appellant was sinds 2000 werkzaam bij het Sociaal Werkvoorzieningsbedrijf en kreeg in de loop der jaren coaching en opleidingen om zijn functioneren te verbeteren. Ondanks enkele klachten en een coachingstraject werd zijn functioneren steeds als voldoende beoordeeld. Het dagelijks bestuur verleende hem in 2014 ongeschiktheidsontslag, dat later werd gehandhaafd met een gewijzigde ingangsdatum en een na-wettelijke uitkering.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant gegrond en vernietigde het ontslagbesluit wegens onvoldoende motivering van ongeschiktheid, maar oordeelde dat het ontslag op grond van verstoorde arbeidsverhoudingen wel standhield. Zowel appellant als het dagelijks bestuur gingen in hoger beroep tegen deze uitspraak.
De Raad oordeelt dat het dagelijks bestuur niet aannemelijk heeft gemaakt dat appellant ongeschikt was voor zijn functie, mede omdat hij altijd voldoende functioneerde en het coachingstraject succesvol was. Ook is niet gebleken dat de arbeidsverhouding ten tijde van het ontslag zodanig verstoord was dat voortzetting redelijkerwijs niet kon worden verlangd. Het ontslag is daarom onrechtmatig.
De Raad vernietigt het bestreden besluit en herroept het ontslagbesluit. Het dagelijks bestuur moet de bezoldiging nabetalen met wettelijke rente. Vergoeding van belastingschade wordt afgewezen vanwege het ontbreken van een concrete onderbouwing. Tevens wordt het dagelijks bestuur veroordeeld in de proceskosten van appellant.