ECLI:NL:CRVB:2016:5140
Centrale Raad van Beroep
- Eerste en enige aanleg
- Rechtspraak.nl
Afwijzing erkenning als burger-oorlogsslachtoffer op grond van Wubo
Appellante, geboren in 1936, vroeg in november 2014 om erkenning als burger-oorlogsslachtoffer op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo), met het oog op een toeslag en uitkering vanwege gezondheidsklachten die zij toeschrijft aan haar ervaringen in voormalig Nederlands-Indië.
De Sociale verzekeringsbank wees haar aanvraag af bij besluit van 31 maart 2015, gehandhaafd bij het bestreden besluit van 30 oktober 2015, omdat onvoldoende was aangetoond dat zij oorlogsgeweld in de zin van de Wubo had ondervonden.
De Centrale Raad van Beroep overweegt dat de Wubo alleen slachtoffers erkent die tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 of de aansluitende Bersiap-periode lichamelijk of psychisch letsel hebben opgelopen door direct verbonden handelingen of omstandigheden. De Raad stelt vast dat de vluchttocht van Soerabaja naar Batavia niet als levensbedreigend kan worden aangemerkt, dat de genoemde afranselingen niet bewezen zware mishandeling of executie betreffen, en dat de beschietingen buiten de toepasselijke periode vallen.
Daarnaast wijst de Raad erop dat algemene oorlogsomstandigheden zoals honger en armoede niet kwalificeren als directe handelingen in de zin van de Wubo. Hoewel appellante angstige omstandigheden heeft ervaren, voldoet zij niet aan de criteria voor erkenning. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en er worden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: Het beroep van appellante tegen de afwijzing van erkenning als burger-oorlogsslachtoffer wordt ongegrond verklaard.