ECLI:NL:CRVB:2016:515
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkverklaring bezwaar tegen UWV-besluit over WW-uitkering
Appellante maakte bezwaar tegen besluiten van het UWV van 26 februari 2012 en 6 maart 2012 betreffende haar WW-uitkering. Het UWV verklaarde deze bezwaren niet-ontvankelijk omdat er volgens hen geen besluiten in de zin van artikel 1:3 Awb Pro waren genomen op die data.
De rechtbank Noord-Holland verklaarde het beroep van appellante tegen deze niet-ontvankelijkverklaring ongegrond en oordeelde dat er geen expliciete besluitvorming had plaatsgevonden. Appellante stelde dat er sprake was van een fictieve weigering van de hervatting van haar WW-uitkering, maar dit werd door de rechtbank niet gevolgd.
In hoger beroep voerde appellante aan dat de uitspraak niet in het openbaar was gedaan en dat de griffier niet aanwezig kon zijn geweest. De Raad oordeelde dat de uitspraak wel degelijk in het openbaar is gedaan en dat de griffier die de uitspraak ondertekent niet per se dezelfde hoeft te zijn als die aanwezig was. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar bevestigd.