ECLI:NL:CRVB:2016:555
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit UWV over weigering WIA-uitkering ondanks latere volledige arbeidsongeschiktheid
Appellante, werkzaam als bejaardenhelpster, meldde zich op 26 april 2010 ziek vanwege psychische en lichamelijke klachten. Het UWV weigerde per 27 april 2012 een WIA-uitkering toe te kennen en verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank bevestigde dit oordeel.
In hoger beroep stelde appellante dat haar belastbaarheid was overschat en bracht zij medische stukken in. De Raad benoemde een onafhankelijk neuroloog die aanvullende beperkingen vaststelde vanwege een aangeboren spierziekte. De verzekeringsarts en arbeidsdeskundige bezwaar en beroep onderschreven deze beperkingen en pasten de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) aan.
De Raad oordeelde dat appellante niet volledig arbeidsongeschikt was op de datum in geding, 27 april 2012, ondanks dat het UWV haar later, per 24 november 2014, wel volledig arbeidsongeschikt achtte. De Raad volgde het deskundigenrapport en vond dat de belastbaarheid juist was vertaald in de aangepaste FML. Omdat pas in hoger beroep een juiste onderbouwing was gegeven, vernietigde de Raad het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak, maar liet de rechtsgevolgen van het besluit in stand.
Het UWV werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierechten aan appellante. De uitspraak werd gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen op 19 februari 2016.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt gegrond verklaard en het besluit van het UWV vernietigd, met in stand laten van de rechtsgevolgen.