ECLI:NL:CRVB:2016:562
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering AOW-uitkering wegens onvoldoende bewijs van verblijf en arbeid in Nederland
Appellant, woonachtig in Marokko, verzocht om een AOW-uitkering op basis van zijn vermeende werkzaamheden in Nederland in 1966 en 1967. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) wees dit verzoek af omdat niet kon worden vastgesteld dat appellant in Nederland verzekerd was geweest.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat de Svb voldoende onderzoek had gedaan en dat appellant niet bekend was in relevante registers. Appellant voerde in hoger beroep aan wel degelijk in Nederland te hebben gewerkt.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef de eerdere overwegingen en concludeerde dat ook na aanvullend onderzoek geen bewijs was gevonden voor verblijf of werk in Nederland. Het hoger beroep werd daarom verworpen en de afwijzing van de AOW-uitkering bevestigd.
Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken. De uitspraak is gedaan door rechter E.E.V. Lenos en griffier R.L. Rijnen op 19 februari 2016.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de afwijzing van de AOW-uitkering bevestigd wegens onvoldoende bewijs van verblijf en arbeid in Nederland.