Appellant maakte bezwaar tegen het besluit van de Sociale verzekeringsbank (Svb) van 4 maart 2013, waarin werd vastgesteld dat hij geen recht meer had op kinderbijslag vanaf het eerste kwartaal van 2013. De Svb verklaarde het bezwaar ongegrond omdat het kind waarvoor kinderbijslag werd ontvangen 18 jaar was geworden en het overgangsrecht niet meer van toepassing was.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond en oordeelde dat de Svb terecht geen kinderbijslag meer verstrekte. Appellant stelde dat de Svb ten onrechte het bezwaar ongegrond had verklaard zonder hem te horen, omdat nog geen aanvullende gronden waren ingediend.
De Svb erkende dat de ongegrondverklaring van het bezwaar voorbarig was, maar stelde dat het bezwaar ook na aanvulling kennelijk ongegrond zou zijn verklaard. De Raad oordeelde dat de Svb ten onrechte van het horen was afgezien, omdat het bezwaar niet direct kennelijk ongegrond was. Desondanks werd vastgesteld dat appellant geen materiële bezwaren had en dat het besluit terecht was genomen.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank, veroordeelde de Svb tot vergoeding van de proceskosten van appellant en bepaalde dat de Svb het betaalde griffierecht aan appellant moest vergoeden.