Uitspraak
.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellante werd geconfronteerd met terugvordering van onverschuldigd betaalde WIA-voorschotten en een beslag op haar uitkering met een vastgestelde beslagvrije voet, waarbij het UWV uitging van een gezamenlijke huishouding met haar ex-partner op basis van een voormalig geregistreerd partnerschap.
De rechtbank stelde eerder dat het onweerlegbare rechtsvermoeden van gezamenlijke huishouding op grond van de WWB van toepassing was, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelt dat dit vermoeden slechts twee jaar na beëindiging van het partnerschap geldt. Aangezien het geregistreerd partnerschap ruim twee jaar was beëindigd, was het onterecht het inkomen van de ex-partner mee te nemen.
Verder bleek dat het UWV de beslagvrije voet had vastgesteld op basis van niet actuele en onvolledige gegevens, zonder rekening te houden met woonkosten. Ook was onduidelijkheid over de invordering van vakantiegeld en proceskosten. De Raad concludeerde dat het besluit van het UWV een motiveringsgebrek vertoonde en droeg het UWV op binnen zes weken het besluit te herzien met een nieuwe berekening van de beslagvrije voet over de relevante periode.
Uitkomst: Het UWV wordt opgedragen het besluit te herzien en een nieuwe berekening van de beslagvrije voet te maken zonder het inkomen van de ex-partner mee te nemen.