ECLI:NL:CRVB:2016:58
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen mededeling ontheffing en vakantieduur WWB
Appellant ontvangt sinds 2009 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Het college van burgemeester en wethouders van Arnhem heeft appellant ontheffing verleend van de verplichtingen om werk te zoeken en mee te werken aan trajecten, met een mededeling over de maximale verblijfsduur in het buitenland. In 2014 is deze verblijfsduur verlaagd van dertien naar vier weken per kalenderjaar.
Appellant maakte bezwaar tegen deze mededeling, maar het college verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk omdat de mededeling geen besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht is. De rechtbank bevestigde dit oordeel en verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep betoogde appellant dat de mededeling wel rechtsgevolg heeft en dat hij door de vermindering van de verblijfsduur in het buitenland in een slechtere positie is gekomen. De Raad overwoog dat deze gronden reeds gemotiveerd zijn behandeld door de rechtbank en dat appellant geen nieuwe argumenten aanvoert.
De Raad benadrukte dat rechtsgevolgen zoals beëindiging of verlaging van bijstand pas kunnen intreden na een nadere afweging door het bestuursorgaan, wanneer vaststaat dat de betrokkene daadwerkelijk is vertrokken en de maximale verblijfsduur is overschreden.
Daarom wordt het hoger beroep verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.